Maria Montessori
Maria Montessori formuleerde haar ideeën rond 1900. Zij was er van overtuigd dat de eerste levensjaren van een kind van het grootste belang zijn. Al de ontwikkelingen die het kind de eerste levensjaren doormaakt, vinden plaats in wisselwerking met de omgeving waar het kind in opgroeit. Ouders, broertjes en zusjes, andere familieleden, maar ook het land, de cultuur waar het kind in opgroeit, maken deel uit van die omgeving.

Ruim een eeuw na het formuleren van haar visie, staan wij als 2e Montessorischool continu voor de uitdaging om de ideeën van Maria Montessori toe te passen binnen de ontwikkelingen van de hedendaagse maatschappij en onderwijspraktijk. Dat betekent zeker niet, dat wij ‘ouderwets’ lesgeven: wij werken naast de materialen met de nieuwste methodes, veelvuldig met nieuwe media en hebben ruime aandacht voor lessen op het gebied van expressie en de zaakvakken (Da Vinci ). Wel wordt alles ingebed in het montessori concept, waarin zelfstandig en individueel werken gewaarborgd blijven.

Gevoelige periode
Elk kind is actief, nieuwsgierig en leergierig. Het heeft een aangeboren drang zich te ontwikkelen. In zijn ontwikkeling kunnen verschillende fasen worden onderscheiden. De leerkrachten maken maximaal gebruik van die gevoelige periode. Zij bieden in elke fase specifieke materialen en een passende leeromgeving aan.

Voorbereide omgeving
Montessori hechtte veel waarde aan een goed voorbereide omgeving: deze maakt vrije werkkeuze en zelfstandig werken door kinderen mogelijk en geeft ze een gevoel van geborgenheid. Voorbeelden van een voorbereide omgeving zijn:

  • De lokalen bieden bewegingsvrijheid.
  • Er zijn hoekjes voor specifieke activiteiten, bijvoorbeeld een bouwhoek, een schildershoek, een rusthoek, een leeshoek, een computerhoek etc.
  • De omgeving moet het kind stimuleren tot leren: alles heeft een vaste plaats.
  • Het kind heeft een eigen plaats, al dan niet in een groepje met anderen.
  • Het materiaal is geordend geplaatst in open kasten, goed zichtbaar voor het kind en aangepast aan zijn/haar lengte.
  • De totale omgeving moet er aantrekkelijk en verzorgd uitzien.
  • De leerkracht heeft een specifieke opleiding gevolgd om de voorbereide omgeving tot zijn recht te kunnen laten komen.

Vrijheid in gebondenheid
De leerkracht biedt diverse activiteiten aan, bijvoorbeeld tijdens individuele lesjes of groepslessen. Daarnaast hebben leerlingen veel vrijheid om zelf te bepalen met welke materialen en leermiddelen ze werken, wanneer ze dat doen en hoe lang. De leerkracht observeert wel voortdurend de keuze van de leerlingen. Als een kind (te) eenzijdig kiest en daardoor niet zijn eigen capaciteiten en mogelijkheden ten volle ontwikkelt, vindt bijsturing plaats.

Heterogene groepen
In een klas zitten kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar. Hierdoor kunnen zij van elkaar leren en elkaar helpen.

Materialen
Montessorischolen gebruiken veel duurzame materialen. In al het materiaal staat één eigenschap centraal. Wanneer een kind met een bepaald materiaal optelsommen maakt, zal niet een beroep worden gedaan op andere vaardigheden.  Vooral in de onderbouw wordt er veel met deze materialen gewerkt . In de hogere groepen wordt naast deze materialen vooral met de nieuwste methodes gewerkt.

Zelfcorrectie
Veel leermiddelen en ontwikkelingsmaterialen bevatten de mogelijkheid van ‘controle van de fout’. Dat wil zeggen: als een leerling een fout maakt, merkt hij dat direct. Hij heeft geen volwassene nodig om hem op zijn fout te wijzen (iets wat het zelfvertrouwen kan schaden). Het kind leert van zijn eigen fouten.

Copyright 2e Montessorischool 2019, websitedesign Made by Marne